Skip to main content

Wonen, zorg en welzijn bewegen naar elkaar toe. Dat zie ik duidelijk terug als ik mijn werk vergelijk met tien jaar geleden. En dat is, denk ik, een goede ontwikkeling. Niet omdat het werk er meteen makkelijker op wordt, maar het sluit wel beter aan bij hoe mensen hun leven ervaren.

Het leven laat zich nu eenmaal niet opdelen in aparte domeinen. Wie zich eenzaam voelt heeft niet alleen behoefte aan een maatje, een cursus of speciaal georganiseerde activiteit. Net zo belangrijk is een fijne leefomgeving waar contact op een natuurlijke manier kan ontstaan en waar iemand het gevoel heeft ertoe te doen. Dat geldt voor iedereen, en zeker ook voor ouderen die steeds langer zelfstandig wonen. Zij kunnen dit niet alleen door eigen kracht of de mogelijkheid van zorg of technologie aan huis, maar ook doordat er mensen in de buurt zijn waarop je kan terugvallen en waar je dingen samen mee kan doen.

Die beweging naar samenhang tussen domeinen opent nieuwe kansen. Niet alleen in wat we doen, maar vooral in hoe we ruimte maken voor het nieuwe. Voor mij betekent dit beginnen op de plek waar het leven zich daadwerkelijk afspeelt: de leefomgeving.

De leefomgeving als vertrekpunt

De leefomgeving laat zien hoe sterk alles met elkaar samenhangt. Want als je breder kijkt naar een individu, zie je dat wat er gebeurt lang niet altijd terug te brengen is tot één probleem en één oplossing vanuit wonen, zorg of welzijn. Juist bij vraagstukken rondom samenleven, eenzaamheid, ouder worden en ertoe doen, schiet een smalle manier van kijken tekort.

Ik zie dat wat in het welzijnswerk al langer vanzelfsprekend is – werken met relaties, context en gemeenschappen – steeds vaker wordt herkend als essentieel, ook binnen wonen en zorg. Juist omdat we zien dat een mens zonder een ondersteunende omgeving weinig houvast heeft en sneller vastloopt. Wonen gaat allang niet meer alleen over stenen, maar ook over hoe mensen zich thuis voelen en of de woonomgeving uitnodigt tot ontmoeten en meedoen. In mijn werk zie ik dat bijvoorbeeld terug in de snelle opkomst van seniorvriendelijke concepten als Thuisplusflats en Lang Leven Thuisflats. In deze woonconcepten draait het niet alleen om geschikte woningen, maar ook om ontmoeting, onderlinge betrokkenheid en de aanwezigheid van zorg en welzijn dichtbij.

Het gaat daarmee minder om losse oplossingen voor een individu en meer om het versterken van samenhang in het dagelijks leven van mensen. Dat vraagt om meer dan organisatorische afstemming alleen. Niet alleen anders of meer samenwerken tussen organisaties of disciplines, maar ook breder kijken naar wat er nodig is in het leven en de leefomgeving van mensen.

Leefconcepten als richting, niet als blauwdruk

Die bredere blik zie ik terug in de opkomst van nieuwe leefconcepten als Creabitat, een initiatief waarbij ik als potentiële bewoner betrokken ben. In dit concept staat gemeenschap, ontmoeting en gedeelde verantwoordelijkheid voor een plek centraal. Wonen is bij dit initiatief ook verweven met voedsel, energie, natuur en gedeelde voorzieningen. Daarmee laat dit concept zien dat je met een ecologische blik nog breder kunt kijken naar de samenhang van wat een plek en de mens levend maakt en houdt.

Door mijn betrokkenheid bij Creabitat merk ik dat hun manier van werken op een aantal punten anders aanvoelt dan wat ik zie in het sociale domein. Vaak beginnen we in het sociale domein vanuit wat ontbreekt of niet goed gaat, zoals teveel eenzaamheid of te weinig betrokkenheid van inwoners bij elkaar. Dat is logisch als je kijkt naar hoe het sociale domein is ingericht. Beleid en financiering zijn gebaseerd op signalen uit de samenleving.

Het vertrekpunt van Creabitat is het DNA van het initiatief. Dit DNA bepaalt de richting, maar niet het eindresultaat. Het geeft houvast en een ondersteunende structuur, terwijl de concrete invulling zich gaandeweg vormt, in wisselwerking met de mensen en de plek. Daarbij worden vaste ideeën over wat er zou moeten komen bewust losgelaten. Er ontstaat ruimte om te kijken naar wat zich daadwerkelijk aandient: het karakter van het gebied, de kwaliteiten van de bodem, en de kennis, energie en mogelijkheden van de mensen die betrokken zijn. Juist doordat niet alles vastligt, krijgen bewoners de ruimte om mee te denken, mee te doen en mede-eigenaar te worden van wat er groeit.

Is dat makkelijk? Nee. Dit vraagt iets van mensen, een manier van werken die we niet gewend zijn. Voor mij persoonlijk betekende dit leren vertrouwen op het proces, geduld hebben en accepteren dat het eindpunt zich pas gaandeweg laat zien.

Deze ervaring met Creabitat maakt voor mij ook zichtbaar hoe sterk de manier van beginnen van een project het verdere proces op een plek kleurt. Wat mij opvalt, is dat we in het sociale domein vaak zoveel van te voren willen vastleggen en sturen, en dat er daardoor onderweg weinig ruimte overblijft om werkelijk aan te sluiten bij mensen en hun leefomgeving.

Daarover meer in deel 2.