Skip to main content

Hoe de beginfase bepaalt wat kan groeien in wooncomplexen.

Eerder beschreef ik hoe mijn ervaring met leefconcepten als Creabitat mij bewuster maakte van het belang van de manier waarop initiatieven met bewoners van wooncomplexen beginnen. Die beginfase kleurt alles wat daarna komt.

Dat zie ik niet alleen bij initiatieven als Creabitat, maar ook bij de ontwikkeling van nieuwe woonconcepten voor ouderen. Juist daar ervaar ik een groeiende spanning tussen de behoefte aan meten en sturen enerzijds, en anderzijds processen die meer betrokkenheid, eigenaarschap en gemeenschapskracht tot doel hebben. In dit tweede deel zoom ik in op hoe die spanning zich in de praktijk laat zien.

Ik merk die spanning vooral in de keuzes en werkwijzen binnen dit soort projecten.

1. Vooraf dichtgeregelde opdrachten

Wat ik in mijn werk steeds opnieuw tegenkom, is hoe lastig het is om niet meteen te willen sturen. De neiging om vooraf duidelijkheid te creëren over wat we precies gaan doen en wat de uitkomst gaat zijn, is groot. Ook aan het begin van onze Samenkracht en BRUIS-projecten is dat regelmatig onderwerp van gesprek. Juist omdat we in onze projecten een andere volgorde aanhouden, valt me des te sterker op hoe dit vaak ook anders gaat.

Een voorbeeld uit de praktijk is dat gemeenten of samenwerkingspartners bij de start van een nieuw woonzorgwelzijn-concept voor ouderen vooraf vastleggen hoeveel activiteiten er per week moeten plaatsvinden, en van welke aard die activiteiten moeten zijn (bv. ontmoeting of beweging van bewoners). Op papier geeft dat duidelijkheid en houvast, en het wekt de indruk dat gezondheid en welzijn van bewoners hiermee stuurbaar zijn.

In de praktijk zie ik echter dat dit iets in beweging zet wat niet altijd helpt. De professional die wordt aangesteld om dit te realiseren, richt zich logischerwijs op het uitvoeren van wat is afgesproken. De aandacht gaat naar het organiseren en realiseren van activiteiten: zorgen dat het aantal klopt, dat de thema’s zijn ingevuld en dat je je doelen haalt. Wat daardoor gemakkelijk minder ruimte krijgt, is het tijdvragende werk dat juist nodig is om betrokkenheid van inwoners te laten groeien en samen met hen te verkennen wat voor hén bijdraagt aan gezondheid en welzijn.

2. Gezond verstand versus meten en sturen

Die neiging om vooraf te willen sturen staat niet op zichzelf. Ik zie het breder terug in het sociale domein, waar onder opdrachtgevers en financiers die behoefte lijkt toe te nemen. Gemeenten willen grip krijgen op het sociale domein. Zo liet de gemeente Soest in een recent krantenartikel weten meer te willen meten en sturen op projecten in zorg en welzijn om tot een efficiënter en doelgerichter aanbod te komen.

Opvallend vond ik de opmerking dat er eerder voornamelijk gewerkt werd op basis van ‘gezond verstand’, en dat meten en sturen daar nu tegenover wordt geplaatst. Natuurlijk begrijp ik dat de verantwoordelijkheden in het sociale domein groot zijn en de middelen schaars, maar is dit de weg die we moeten gaan? Hoe kunnen we trots zijn op het idee dat we ‘gezond verstand’ achter ons hebben gelaten?

Voor mij staat ‘gezond verstand’ voor iets menselijks: werken vanuit ervaring, afstemming en nabijheid. Juist vanuit die menselijke benadering zie ik dat die behoefte aan een duidelijke programmering lang niet altijd oplevert wat men voor ogen had: meer betrokkenheid, gemeenschapskracht of langer zelfstandig thuis wonen. Teveel sturing laat weinig ruimte voor afstemming en gedeeld eigenaarschap.

3. Samenwerking eerst, bewoners later

Diezelfde behoefte aan sturing zie ik ook terug in hoe samenwerkingen worden ingericht. Regelmatig beginnen ze met intensieve afstemming tussen organisaties, terwijl bewoners pas aansluiten als het plan al staat. Er wordt veel energie gestoken in afstemming tussen wonen, zorg en welzijn. Dat is begrijpelijk want die samenwerking is een flinke opgave op zich, en vraagt ook afstemming en nieuwe structuren.

Tegelijkertijd verschuift daardoor de betrokkenheid van inwoners vaak naar een later moment. Er wordt meestal wel een behoefteonderzoek gedaan of inwoners worden geïnformeerd over de plannen. Dat wordt terecht gezien als een manier om naar bewoners te luisteren en hen serieus te nemen. Maar, dat is iets anders dan bewoners en professionals uit wonen, zorg en welzijn vanaf het begin samen betrekken, zoals we bijvoorbeeld in een Samenkracht project gewend zijn te doen. Juist in die beginfase waarin nog weinig vastligt, ontstaat de ruimte voor eigenaarschap en betrokkenheid, en het voelt als een gemiste kans dat die ruimte niet altijd wordt benut.

4. Bestaande bouw met bestaande spanningen

Alsof het al niet ingewikkeld genoeg is, zie ik regelmatig dat een nieuw woonzorgwelzijn-concept wordt ingezet als oplossing voor wat er al wringt in een wooncomplex. Het concept moet dan helpen om orde op zaken te stellen en tegelijkertijd de bewoners meer betrokken te maken bij hun leefomgeving. Vaak worden juist deze moeilijke complexen naar voren geschoven, omdat daar de urgentie het grootst lijkt.

Dat is begrijpelijk, maar het is ook een overschatting van wat zo’n concept kan goedmaken. Gemeenschap, saamhorigheid en betrokkenheid laten zich namelijk niet afdwingen. Wanneer de randvoorwaarden onder druk staan, bijvoorbeeld door te veel conflicten, groot achterstallig onderhoud of een kwetsbare bewonersmix, wordt het begin van zo’n traject extra ingewikkeld en kan er ook veel weerstand ontstaan. Een concept kan richting geven en nieuwe energie, maar het is ook belangrijk om te zien dat het niet kan vervangen wat op zo’n plek eerst nodig is: aandacht voor wat er al leeft en speelt, en de verantwoordelijkheid die organisaties hier daar in hebben.

Als die beginfase alles kleurt wat volgt, is het de vraag of onze huidige manier van sturen en verantwoorden nog aansluit bij de gemeenschap en zorgzaamheid die we in buurten en wooncomplexen willen laten ontstaan.

Juist in die beginfase waarin nog weinig vastligt, ontstaat de ruimte voor eigenaarschap en betrokkenheid.